Blauwe lucht

Het licht van de zon is wit, maar toch is een hemel zonder wolken blauw.
Het witte zonlicht is ook niet puur wit: het is samengesteld uit verschillende kleuren met uiteenlopende golflengten.
In volgorde van afnemende golflengte zijn dat: rood-oranje-geel-groen-blauw-indigo-violet. 
Luchtmolekulen verstrooien alleen licht met korte golflengten.
Daarom zien we tegen de zwarte achtergrond van de ruimte alleen blauw: de blauwe lucht dus.

Grotere deeltjes verstrooien alle kleuren in het witte zonlicht en leveren dus ook wit licht op.
Als er dus veel stof of vocht (waterdruppeltjes) in de atmosfeer zit,
dan wordt de blauwe kleur fletser wordt of zelfs witachtig.
In een industriegebied zien we daarom zelden een diepblauwe lucht.
Tijdens opklaringen na een regenbui (die de lucht heeft schoon gewassen),
en in schone lucht aangevoerd uit de poolstreken is de lucht donkerblauw.

Hoe droger en schoner de lucht, hoe blauwer de kleur.
Vandaar dat we ook hoog in de bergen vaak een prachtige blauwe hemel zien.
Een diepblauwe lucht wijst meestal op een lage relatieve vochtigheid.

Het hemelblauw is alleen zichtbaar tegen een donkere achtergrond.
Hoog aan de hemel recht boven ons hoofd is dat de zwarte sterrenhemel,
maar om de stralen nabij de horizon te zien moeten we door een dikke luchtlaag bij het aardoppervlak heenkijken.
Laag in de atmosfeer zitten meer grotere deeltjes en waterdruppeltjes waardoor we de zwarte achtergrond niet meer kunnen zien.

Daarom is de blauwe kleur bij de horizon vaak bleker of bijna wit.
Als er in de verte bergen te zien zijn fungeren die als donkere achtergrond.
Daar ligt dan soms een blauwig waas overheen.
Buiten onze dampkring, waar het licht niet wordt verstrooid, is de hemel inktzwart en zijn ook overdag de sterren zichtbaar.
In de weerrapporten wordt een hemel waarin de waarnemer geen of vrijwel geen wolk kan bekennen aangegeven als onbewolkt.
Dunne sluierwolken waar de zon doorheen schijnt worden als licht bewolkt gerapporteerd, 
ook al bedekken ze de hele hemel.