Laaghangende bewolking

Onder laaghangende bewolking verstaat we een mistlaag op ongeveer 100 tot 200 meter boven de grond. Het bovenste deel van hoge objecten, zoals flatgebouwen of torens, gaat dan vaak schuil in de mistlaag.

De laaghangende bewolking ontstaat meestal uit mist die zich door afkoeling aan het aardoppervlak vormt. In de loop van de dag wordt de onderste laag van de atmosfeer verwarmd door de weinige zon die door de bewolking doordringt. Daardoor zal de mistlaag iets omhoog worden getild, waardoor het zicht aan de grond verbetert, maar het op een paar honderd meter hoogte mistig blijft. Ook door een toename van de wind kan mist overgaan in laaghangende bewolking.

Vooral in het najaar en de winter heeft de zon in de regel te weinig kracht om de mistlaag op te lossen. Als de weersomstandigheden nauwelijks veranderen en er weinig wind blijft, kan de laaghangende bewolking zich geruime tijd handhaven. Het is dan grijs en somber weer, omdat de bewolking het zonlicht slecht doorlaat. Tegen zonsondergang, wanneer de kracht van de zon weer afneemt en de temperatuur weer begint te dalen, zakt de lage bewolking geleidelijk weer naar het aardoppervlak waardoor het ook aan de grond weer mistig wordt.

Het tijdstip waarop mist overgaat in laaghangende bewolking of omgekeerd is moeilijk precies aan te geven. Bovendien kan dat behalve door het weer ook door plaatselijke omstandigheden, zoals hoogteverschillen in het landschap of lokale temperatuurverschillen, van plaats tot plaats verschillen. In de weersverwachting wordt daarom meestal gesproken van mist of laaghangende bewolking.